Je bent niet je label

Over vastgezette identiteit en waarom echte verandering dieper begint

In mijn praktijk hoor ik het vaak. Iemand leunt iets naar voren, soms bijna opgelucht: “Ik ben HSP.” “Ik ben gediagnosticeerd met autisme.” Of met een mengeling van berusting en helderheid: “Ik heb burn-out.” “Mijn ex is een narcist.” Zulke zinnen brengen orde. Ze geven taal aan iets wat eerder verwarrend of diffuus voelde. Soms zit er opluchting in, soms erkenning, soms eindelijk het gevoel dat er woorden zijn voor wat al lang speelde.

Steeds vaker roept dat een dubbel gevoel bij me op. Ik zie hoe zo’n woord ineens het hele verhaal wordt. Alsof het alles verklaart.

Mijn allergie tegen labels zit niet in het benoemen. Benoemen kan helpend zijn. Mijn allergie zit in het moment waarop een beschrijving identiteit wordt. Waar “dit gebeurt soms in mij” verandert in “dit ben ik”. Of waar “dit gedrag zie ik bij de ander” verandert in “zo ís hij”. Dat kantelpunt is subtiel, maar wezenlijk. Want zodra identiteit vaststaat, stopt vaak het verdere onderzoek.

Wanneer een label identiteit wordt

Afgelopen week had een cliënt die zichzelf bestempelt als iemand met bindingsangst. Alles werd door die bril bekeken. Twijfel in relaties, afstand nemen, spanning als iemand dichtbij kwam – het bevestigde het verhaal. Op zichzelf was dat niet onwaar. Het label beschreef een patroon. Maar het beschreef het van buitenaf. Ik weet hoe dat werkt. Vijftien, twintig jaar geleden keek ik ook zo naar mezelf: analyserend, verklarend, maar nog niet echt voelend.

Dus toen zij dit zei, vertraagden we. Ik nodigde haar uit om niet te analyseren, maar te voelen wat er in haar lichaam gebeurde wanneer ze zich een moment van nabijheid voorstelde. Haar borst trok samen. Haar adem werd hoog. Er kwam een impuls om zich terug te trekken. En onder die impuls zat een oud moment van overweldiging, een ervaring waarin nabijheid ooit te veel was geweest.

Dat ís wat we bindingsangst noemen. Alleen was het nu geen identiteit meer, maar een beschermingsreactie. En een reactie kan veranderen. Een identiteit veel minder makkelijk.

We zijn in de GGZ en coaching sterk gewend geraakt om problemen te benaderen als iets dat begrepen moet worden. We maken het verhaal kloppend, coherent, inzichtelijk. Dat voelt professioneel. Het voelt zorgvuldig.

Maar begrijpen is niet hetzelfde als verschuiven.

Zolang het bij inzicht blijft, verandert het zenuwstelsel niet automatisch mee. Dan blijft “bindingsangst” een logisch verhaal, maar geen ervaring die zich herschrijft. Zodra iets een beschermingsstrategie wordt in plaats van een karaktereigenschap, ontstaat er ruimte. Niet omdat het label onjuist was, maar omdat het te grof was om recht te doen aan wat er werkelijk speelde.

Waarom diagnose → projectdenken vaak vastzet

Dit voorbeeld staat niet op zichzelf.

In veel traditionele trajecten begint het met een diagnose. Een categorie, een naam voor het probleem. Van daaruit volgt een plan: dit is de klacht, dit is het protocol, dit zijn de stappen, dit is het doel. Dat geeft duidelijkheid en soms werkt het ook. Structuur kan steunend zijn.

Maar onder die aanpak ligt een impliciete aanname: dat het probleem primair cognitief te begrijpen en lineair op te lossen is. En daar wringt het vaak.

Veel van wat mensen ervaren – angst voor afwijzing, perfectionisme, pleasen, relationele blokkades – laat zich niet cognitief oplossen. Het zijn belichaamde overlevingsreacties die ooit logisch waren in een bepaalde context. Je kunt een zenuwstelsel dat al jaren op scherp staat niet tot rust redeneren met een behandelplan.

Ik zie in mijn praktijk regelmatig dat iemand zijn patroon perfect kan analyseren. Hij begrijpt het, kan het uitleggen, weet waar het vandaan komt. En toch blijft het lichaam reageren alsof het nog steeds onveilig is. Dan schuift therapie ongemerkt op naar symptoommanagement. Niet omdat iemand niet wil veranderen, maar omdat de interventie plaatsvindt op een andere laag dan waar het patroon is ontstaan.

onlinebrainspotting.nl

Geen lineair probleem, maar een levend systeem

De diagnose-projectaanpak veronderstelt een lineair model: oorzaak, interventie, oplossing. Maar een menselijk zenuwstelsel werkt niet lineair. Het reageert contextueel, relationeel en vaak onbewust. Wat in het heden als ‘te heftig’ wordt ervaren, kan in het lichaam nog gekoppeld zijn aan een oude ervaring van overweldiging of afwijzing.

Dan helpt uitleg maar beperkt. Dan helpt aanwezigheid, vertraging en afgestemde aandacht meer.

Dat is ook waarom mij trof wat hoogleraar psychiatrie Jim van Os op Linkedin schrijft. Hij pleit ervoor om psychiatrische classificatie niet te verwarren met verklaring. Een DSM-diagnose zegt weinig betrouwbaars over zorgbehoefte, prognose of specifieke behandeling. Het is in de kern een classificatiesysteem dat bedoeld is om te ordenen, maar dat we zijn gaan behandelen alsof het de werkelijkheid zelf beschrijft. Zijn alternatief begint niet bij het label, maar bij vragen als: wat is er gebeurd, wat zijn je gevoeligheden en talenten, wat is belangrijk voor je, wat heb je nodig? Dat vertrekpunt herken ik sterk.

Het label “narcist” – en hoe het relaties vastzet

Ook in relaties zie ik hoe labels kunnen vastzetten. “Ik weet nu dat mijn ex een narcist is.” In zo’n zin zit vaak kracht. Opluchting. Soms eindelijk woorden voor gedrag dat verwarrend of ontwrichtend was. Ook dat herken ik.

En laat ik helder zijn: narcisme bestaat. Het speelt een grote rol in veel relationele dynamieken. Het niet willen zien – zeker de subtiele, verborgen vormen – kan mensen jarenlang gevangen houden. Het kan enorm confronterend zijn om onder ogen te komen dat iemand structureel manipuleert, kleinmaakt of de werkelijkheid verdraait. Soms voelt het alsof er een bodem onder je wegvalt.

In een eerder essay over verborgen narcisme schreef ik hoe ontwrichtend subtiele vormen kunnen zijn – juist omdat ze zo moeilijk te herkennen zijn. Het benoemen daarvan is dus geen overdrijving. Het is soms juist een noodzakelijke stap om weer grond onder je voeten te krijgen. 

Waar het kantelt

Wanneer de ander volledig samenvalt met het label, stopt vaak het verdere onderzoek. De relatie wordt gereduceerd tot een type, de dynamiek tot een diagnose. Wat uit beeld raakt, is de interactie. De momenten waarop je jezelf begon aan te passen. De twijfel die langzaam in je werd geplant. De oude patronen die elkaar vonden.

Het gaat me er niet om het label weg te poetsen. Het gaat me erom dat het niet het laatste woord wordt.

Want zodra “hij is een narcist” alles verklaart, hoef je niet meer te kijken naar wat er in jou gebeurde. En precies daar ligt voor mij het verschil tussen erkenning en vastzetten. Wat je niet onderzoekt, verdwijnt niet. Het verschuift naar de schaduw, en komt vaak later in een andere vorm terug.

Dat weet ik niet alleen uit mijn werk, maar ook uit mezelf. Toen ik jaren geleden mijn essay over verborgen narcisme schreef, legde ik het aanvankelijk vooral buiten mezelf. Analyserend. Afzettend. Soms ook verwijtend. Pas toen ik durfde te kijken naar wat er in mij geraakt werd en waarom ik daarin meeging, verschoof er echt iets.

Wat ooit een overlevingsstrategie was, hoefde geen identiteit te blijven.

onlinebrainspotting.nl

Waarom Brainspotting hier anders in staat

Wat me zo aanspreekt in Brainspotting is dat we niet vertrekken vanuit een diagnose, maar vanuit wat er nu in het lichaam gebeurt. Niet: wat is je stoornis? Maar: wat gebeurt er in jou als je hierbij stilstaat? Veel diepere patronen zijn impliciet, pre-verbaal en relationeel gevormd. Ze zijn opgeslagen in het lichaam, niet als verhaal maar als ervaring.

Soms zit iemand stil, ogen gericht op één punt. Er gebeurt ogenschijnlijk weinig. En toch zie je hoe de adem zakt, hoe de schouders iets verzachten. Niet omdat het probleem is opgelost, maar omdat het systeem even niet hoeft te vechten. Wanneer het lichaam ervaart dat het tempo veilig is en de aandacht niet dwingend, kan er iets in beweging komen zonder dat het eerst begrepen hoeft te worden.

Wat mensen vaak teruggeven, is niet dat ze iets nieuws geleerd hebben, maar dat er iets verschuift.

Ik herken die neiging om alles eerst te willen begrijpen. Misschien is dat ook waarom mensen vaak teruggeven dat ze in sessies snel veiligheid ervaren. Niet omdat ik boven het patroon sta, maar omdat ik die beweging zelf ken, van analyseren naar aanwezig blijven.

Niet als een probleem dat stap voor stap moet worden gefixt, maar als een ervaring die ruimte krijgt.

Wanneer een label wél helpt

Laat me ook het andere zeggen.

Een label kan enorm ondersteunend zijn. Iemand die ontdekt dat hij hoogsensitief is, begrijpt misschien ineens waarom open kantoren uitputten. Waarom sociale bijeenkomsten langer doorwerken. Dat inzicht kan helpen om grenzen te stellen, het leven anders in te richten, minder prikkels toe te laten. Het geeft een soort gebruiksaanwijzing.

Op dat niveau werkt een label vaak bevrijdend. Het maakt het mogelijk om praktische stappen te zetten.

Maar een gebruiksaanwijzing is nog geen verwerking.

Gevoeligheid zelf is geen probleem. Die blijft vaak gewoon onderdeel van wie je bent. Wat wel kan verschuiven, is de lading die erop zit. De oude ervaringen die maken dat een prikkel niet alleen intens is, maar ook bedreigend voelt. De spanning die zich vastzet in het lichaam.

Wanneer je alleen op labelniveau blijft werken, ontstaat het risico van vernauwing. Alles wordt verklaard vanuit dat ene woord. Het leven wordt ingericht rondom de beperking, zonder dat wordt onderzocht wat er onder ligt.

Door dieper te kijken – naar wat er ooit getriggerd werd, naar hoe je systeem heeft leren reageren – kan de intensiteit afnemen. De gevoeligheid blijft. Maar de last wordt minder.

Het verschil tussen benoemen en vastzetten

Mijn allergie zit niet in het benoemen, maar in het vastzetten. In het moment waarop iets wat ooit een reactie was, een identiteit wordt.

Wat mij in mijn werk blijft interesseren, is niet welk etiket het beste past. Maar wat er gebeurt als iemand het label even loslaat en luistert naar wat er in het lichaam gebeurt.

Je bent niet één ding.
Niet één diagnose.
Niet één patroon.

Je bent iemand met een verleden dat doorwerkt. Met manieren om jezelf te beschermen. En met alles wat je óók bent.

Een label kan helpen om iets te zien. Maar het is zelden breed genoeg om een mens te omvatten. En zelden diep genoeg om werkelijk te raken wat eronder leeft.

Te smal voor de complexiteit.
Te oppervlakkig voor de lading die in het lichaam is opgeslagen.